Hoe het begon...

DE VRIJE MEISJES- EN KLEUTERSCHOOL OPWIJK-CENTRUM

Alle scholen hebben hun geschiedenis. Zo ook de onze. Hier proberen wij u een brede kijk te geven op onze school door ze tegen het licht te houden van drie eeuwen onderwijsgeschiedenis.

 

PRIVÉONDERWIJS IN OPWIJK

De meester neemt over

In de 17e eeuw is het onderwijs in lekenhanden. En dat blijft ook zo in de 18e eeuw. De meesters hebben geen diploma nodig. Iedereen die over een voldoende portie intellectuele bagage meent te beschikken, kan een privéschooltje opstarten, vaak bij hem (zelfs haar) thuis. Meestal als bijberoep bij een baan als koster-organist, maar ook horlogemaker, kleermaker, barbier, landbouwer, noem maar op. Maar we zijn nog lang niet in 1911, en iedere leerling moet schoolgeld betalen. Voor de armen betaalt de Heilige Geesttafel, de verre voorloper van het OCMW, ook wel armentafel of armendis geheten. Vaak is het onderwijzerschap een familiale onderneming, generaties lang. In de 18e eeuw zwaaien in Opwijk de De Pleckers de pedagogische plak, van 1712 tot 1802.  

Naar de dorpsschool – Het verhaal van een boerenzoon uit de jaren 1840

Niet lang nadat de haan gekraaid heeft, staat de kar met haar blauwe huif klaar voor de deur, onder de grote notelaar. Vader en de paardenknecht gooien er een halve zak aardappelen en twee bundels beddenlakens op. Moeder komt uit de keuken met een potje boter en een groot brood, en mijn zuster Babbetje met twee schotels gerookt varkensvlees. Dan laden ze nog twee dikke Spaanse dekens en een gloednieuwe kafzak op. Vader blijft thuis. Voor ik vertrek vraag ik hem om een kruiske. Moeder gaat mee. Ze draagt haar beste pijpkensmuts en haar zwarte sluier. Onderweg geeft ze me nog een beetje goeie raad mee. ‘Verlies uw paternoster niet. Hij steekt in uw beste vest. Steek uw kam altijd goed weg in een van uw klompen of uw schoenen. Vergeet ook niet ’s zondags ’s morgens een vers hemd aan te doen.’

We zijn er. De kostschool is in een lemen boerderij met een strooien dak. De meester komt ons op zijn sokken buiten verwelkomen. Zijn vrouw staat binnen, met haar slaapmuts op en haar schort voor, pap aan het uitscheppen. Ze neemt ons mee naar de slaapplaats, een zolder met dertig stapelbedden op twee rijen. Wie boven slaapt, mag ’s avonds niet te veel drinken of pap eten, zegt ze, anders moeten ze ’s nachts opstaan. Moeder geeft me nog een kruiske. Ze zal om de veertien dagen de koewachter sturen met eten en nieuws van thuis.

Er zijn twee klassen: de kinderklas van de zoon in de keuken en de opperschool van de meester in de voutekamer. De pastoor komt één keer in de week catechismus geven. ’s Avonds vertelt de meester verhalen bij de haard, en wanneer hij lesgeeft, zit hij in zijn zetel bij de haard. De gewitte muur van vakwerk dient als schoolbord.

De school van meester Van Bever

Twee jaar voor zijn dood geeft Zander De Plecker de onderwijsfakkel door aan zijn schoonzoon Arnoud Van Bever, een ongediplomeerde boerenzoon. Meester Van Bever zijn school is gemengd, biedt inter-naat en externaat aan en geniet spoedig bekendheid tot in de wijde omtrek. En van modern gesproken: iedere leerling krijgt er individueel onderricht. Geen sinecure, ook al laat de meester zich bijstaan door een paar ondermeesters en een jongedochter voor de naailes en de catechismusles. In het jaar 1840 bijvoorbeeld zijn er maar liefst 85 internen en 150 externen ingeschreven. Daarenboven runt meester Van Bever zelf ook nog een boerenbedrijf. In de winter steekt de stalknecht gelukkig een handje toe in de leesles en de rekenles. Maar we zijn nog steeds niet in 1911 en dus moet ieder kind schoolgeld betalen. 

De kostschool van meester Lindemans

In 1840 neemt gediplomeerde schoonzoon Lindemans de fakkel over van zijn schoonvader Van Bever. Serieuze hervormingen volgen in het leerprogramma en het is gedaan met individueel onderwijs, nu klassikaal en in het Frans. Maar in 1857 wordt meester Lindemans ernstig ziek, zijn kostschool gaat dicht. Zijn oudste zoon neemt over, later bijgestaan door zijn twee broers. Van 1895 tot 1920 leidt broer Louis dan de zaak op z’n eentje. En de school bloeit. In 1898 (het jaar voor Guido Gezelle sterft) haalt ze haar top: 170 pensionairs. Vanaf 1910 krijgt Louis de hulp van zijn twee oudste zonen, een doctor in de filosofie en een landbouwingenieur. Van een opwaardering gesproken.

Kostschool Lindemans is doorheen de jaren uitgegroeid tot een indrukwekkend gebouwencomplex en heeft grote faam verworven. Maar het einde van het dik tweehonderd jaar oude familiebedrijf nadert. Het pensionaat spartelt nog moeizaam doorheen de Grote Oorlog, maar gaat dan ter ziele in 1920. Het materiële einde komt tien jaar later. In januari 1930 branden de oude school-gebouwen grotendeels af. 

Armoede 

Het verhaal van de 19e eeuw in Vlaanderen is een verhaal dat ook een donkere kant heeft. Het is ook het verhaal verhaal van schrijnende armoede. In een wereld in volle evolutie leeft de Vlaming geïsoleerd en verstard. Hij blijft trouw aan zijn tradities, zijn taal, zijn godsdienst en zijn oude werkmethodes. Wanneer de ambachtelijke vlasnijverheid in elkaar stort en daar in de jaren 1840 drie opeenvolgende jaren van mislukte oogsten en epidemieën bovenop komen, is de ellende van de plattelandsbevolking niet te overzien. Overbevolking maakt de problemen nog een stuk erger.

In vijf jaar tijd, van 1837 tot 1843, neemt de uitvoer van Belgisch linnen naar Frankrijk af met meer dan de helft. De cholera-epidemie van 1848-49 eist 22.000 doden in het hele land. In de winter van 1846-47 stromen duizenden bedelaars Brussel binnen, de politie arresteert er zo’n 6.000 en stuurt de meesten terug. De jeugdcriminaliteit neemt schrikwekkend toe: in 1846 zitten bijna 600 minderjarigen in de cel, in 1847 meer dan 9.000. Van 1840 tot 1850 stijgt het aantal ingeschreven behoeftigen in het hele land van 400.000 naar 900.000. Rond het midden van de eeuw zijn één derde van alle arbeiders bij het armenbestuur ingeschreven.

Uiteraard zijn de plattelandskinderen de grote slachtoffers. Ze gaan niet meer naar school, zoeken eetbare planten in de velden en eikels in de bossen, lopen te bedelen en te stelen, en sterven langs de weg. En in de stad? Peuters worden in bewaarscholen gestopt omdat de ouders naar de fabriek moeten. In 1849 telt Antwerpen er vier, met een duizendtal kinderen. In de fabrieken treft men kinderen aan van amper vijf, zes en zeven jaar oud. In een Brusselse weverij werken in 1844 50 volwassenen en ongeveer evenveel kinderen van zeven tot negen jaar. Ze zien er afschuwelijk uit. Lezen we ergens: mager en verschrompeld, bleekzucht, kliergezwellen en rachitis, buik opgezwollen, zure oprispingen, hoofdpijn, buikloop en darmkolieken, gestoorde groei...

    

VRIJ LAGER- EN KLEUTERONDERWIJS IN OPWIJK

 

VOOR DE ONGELUKSWET VAN 1879

Armenschool voor meisjes

De wet-Nothomb van 1842 verplicht iedere gemeente een lagere school te hebben (eventueel door een privéschool aan te nemen) en kosteloos lager onderwijs te verschaffen aan arme kinderen. Maar na de onafhankelijkheid heeft het Belgisch episcopaat niet stilgezeten. Ze hebben besloten in iedere parochie een kosteloze lagere katholieke school op te richten.

In Opwijk hebben ze ook niet stilgezeten. In 1839 weten pastoor Van Hemel (what’s in a name!) en zijn onderpastoor de burgemeester en een aantal notabelen (waaronder de koster en onze meester Van Bever van daarstraks) warm te maken voor de plannen van een gasthuis met een armenschool voor meisjes. De gemeente-, de kerk- en de armenraad geven hun akkoord. Het bureau van Weldadigheid en de kerkfabriek blijven aan de zijlijn. Die zitten in geldnood, want na de Franse bezetting hebben ze maar een deel van hun eigendommen teruggekregen.

Tombola en zusters uit Leuven

Het geld moet dan maar komen van een tombola met kunst- en gebruiksvoorwerpen geschonken door de gegoede burgerij. Die brengt zo’n 3.000 frank op. De gemeente komt met hetzelfde bedrag over de brug (hoewel daar in de begroting en de rekeningen niets van terug te vinden is!). In december 1840 wordt het huis van de familie Verlat op de Markt aangekocht. Om het gasthuis en de armenschool te leiden vraagt pastoor Van Hemel de hulp van de congregatie van Vincentius a Paulo van de Sint-Jacobs-parochie in Leuven. Die sturen hem in oktober 1842 twee zusters van liefde, in de volksmond dienst-maagden der armen. En dan het goeie nieuws: een jaar later neemt de gemeente de zustersschool officieel aan. Dat betekent subsidies en wedden voor de leerkrachten.

Congregatie van de zusters van de heilige Vincentius a Paulo in Opwijk

Uit praktische overwegingen komt het in 1844 tot een ruil: godshuis en armenschool verhuizen naar het toenmalige gemeentehuis (huis Rollier, hoek Marktstraat-Gasthuisstraat, afgebroken 1981) en vice versa. Een oude stapelplaats aldaar doet dienst als vrije lagere school, aanvankelijk met één klas, gemengd. In de herfst van 1846 hebben zuster Theresia en zuster Vincentia de handen vol. Opwijk wordt getroffen door een dysenterie-epidemie. Er vallen 97 doden op 3.600 inwoners. Omdat Leuven zijn zusters te pas en te onpas terugroept en vervangt, vraagt de pastoor aan de kardinaal de toelating om in Opwijk een eigen congregatie op te richten. Eind 1847 melden zich de twee eerste novicen aan, het jaar daarop al een derde. Met hun drieën moeten ze de school en het rusthuis draaiende houden. Maar er is bittere armoede. De vergoeding van 300 frank voor het lesgeven en het kostgeld volstaan niet. In juli 1849 worden de twee novicen van het eerste uur onder massale volkstoeloop geprofest in de Sint-Pauluskerk. Met geld van een schenking kopen de zusters een aanpalend bouwvallig huis. Daarin richten ze in 1850 een bewaarschool inDe meisjesschool boert goed. In datzelfde jaar telt ze al drie klassen met meer dan 200 leerlingen.

De Ongelukswet van 1879

De liberalen behalen een ruime verkiezingsoverwinning. Het moment is gekomen om af te rekenen met de zo gehate katholieken en hun onderwijs. De wet-Van Humbeeck verplicht iedere gemeente minstens één officiële school te hebben, en er mogen geen vrije scholen meer aangenomen of gesubsidieerd worden. Onderwijzers moeten een diploma van een rijksnormaalschool bezitten en godsdienstles mag nog uitsluitend buiten de lesuren op uitdrukkelijk verzoek van de ouders. Er volgt een felle reactie van de bisschoppen. Katholieke onderwijzers krijgen verbod nog in scholen zonder God les te geven en de gelovigen wordt verboden hun kinderen naar die scholen te sturen. Er worden massaal nieuwe vrije scholen gebouwd met geld uit ophalingen. En met succes. In 1878 telde het vrij onderwijs maar 13 procent van het totale leerlingenaantal, in december 1880 is dat 63,5 procent.

De schoolstrijd verdeelt de bevolking in twee kampen, die elkaar een generatie lang haten en pesten. Nog voor de stemming van de Geuzenwet organiseren de katholieke leiders het verzet. In het hele land worden meetings gehouden in open lucht en volle veld, met duizenden toehoorders. In een herderlijke brief  wordt opgeroepen tot een massale kruistocht. De strijdleuze: ‘God wil het!’ Het propagandamiddel: de schoolpenning. Overal wemelt het van de collectebussen. Om bij te dragen stoppen de burgers met roken en met reizen in eerste klas. In iedere gemeente beslist de schoolmeester over het lot van de gemeenschap. Blijft hij, dan trekt hij zijn aanhang mee in de ban van de pastoor en de uitstoting door de rest van het dorp. Meer dan eens moet een meester stiekem het dorp verlaten, met zijn huisraad op een kar geladen of zijn hoogzwangere vrouw in een hondenkar. 

 

NA DE ONGELUKSWET VAN 1879

Verzet

Pastoor Janssens weigert nog catechismus te geven in de gemeenteschool. De hoofdonderwijzer, de tweede hulponderwijzer en de zusters van de aangenomen meisjesschool nemen ontslag. De gemeente-school loopt zo goed als leeg. Bij het begin van het schooljaar 1879-80 heeft ze nog amper vijf leerlingen, tegenover 300 de winter ervoor. De zusters blijven lesgeven en behouden alle meisjes op twee na, die naar de gemeenteschool trekken.

De nieuwe jongensschool

Het bisdom beveelt de Opwijkse geestelijkheid middelen te zoeken voor de bouw van een nieuwe jongensschool. Die komt er, na een algemene omhaling, op ’t Heiveld (aan de Schoolstraat, op de plaats van de huidige school). Een weldoener schenkt het stuk grond. Het schoolgebouw is nog niet klaar bij het begin van het schooljaar 1879-80. Voorlopig wordt dan maar lesgegeven op vier andere, verspreide locaties. Eind november 1879 zijn de bouwwerken dan eindelijk voltooid. Door de uitbreiding en de vele verbouwingen van de latere meisjesschool op diezelfde plek is er echter geen spoor meer van die jongensschool. Het was waarschijnlijk een gebouw met één verdieping en een zadeldak. In de loop van dat schooljaar telt de nieuwe school al 326 leerlingen.

Na 1884 

De Ongelukswet van 1879 blijkt een kolossale blunder van de liberalen en breekt hun zuur op. Bij de verkiezingen van 1884 lijden ze een verpletterende nederlaag. De katholieke meerderheid herstelt nagenoeg de situatie van 1842, de liberalen van hun kant zullen de volgende dertig jaar verstoken blijven van de macht. Als gevolg van de nieuwe schoolwet van september 1884, de wet-Jacobs, besluit de gemeenteraad de gemeenteschool het jaar daarop te sluiten bij gebrek aan leerlingen. De gemeente neemt zowel de vrije jongensschool als de meisjesschool aan.

Nieuwe start

Directrice van de meisjesschool is ondertussen zuster Antonia (1880-1921). Ze krijgt nu een subsidie van 1.500 frank in plaats van 610 frank in 1878. De meisjesschool staat ook open voor jongens wegens plaatsgebrek in de gemeentelijke jongensschool. En dus vraagt zuster Antonia aan het gemeentebestuur een financiële tussenkomst, omdat, schrijft ze, er naast de jongens in de bewaarklas ook een honderdtal grotere jongens op haar school zitten. In 1888 wordt het schoolsparen ingevoerd. In het laatste decennium van de 19e eeuw telt de school rond de 500 leerlingen. In 1896 zijn er zes klassen en zeven leerkrachten, waarvan twee niet gediplomeerd.

Een paar stapstenen in de 20e eeuw

In 1900 komt er medisch toezicht in de meisjesschool. En dan de grote stap. Tussen 1902 en 1905 verhuist de school naar ’t Heiveld, aan de huidige Schoolstraat, waar in 1879, bij het uitbreken van de schoolstrijd, de nieuwe jongensschool werd gebouwd. En het gaat goed met de school. In 1917 zijn er 413 leerlingen in zeven klassen. De kleuterschool heeft dan 85 kinderen in één klas. Tijdens de oorlog wordt de school gesloten en af en toe bezet door voorbijtrekkende troepen. Vanaf 1919 is de school niet langer meer gemengd, en in 1924 wordt een schoolcomité opgericht. In 1950 is er al een zesde kleuterklas, en in 1965 komen de nieuwe kleuterlokalen. De school blijft aangenomen door de gemeente tot de nieuwe schoolpactwet van 29 mei 1959. Die betekent het einde van de schoolstrijd van 1955 tot 1958, en het begin van een halve eeuw schoolvrede.

Wijkkleuterschool ’t Eeksken (anno 2010: ’t Neerveldje)

In 1956 wordt in de Neerveldstraat 247 de Pius X-kleuterschool opgericht, met twee klassen. Ze hangt af van de vrije kleuter- en lagere school Opwijk-centrum. Zuster Calisia en Marthina ontfermen zich als eersten over de kleinen. In oktober 1989 komt er een derde kleuterklas bij, in de in 1973 gebouwde refter-speelzaal.

  

Geraadpleegde bronnen

 Mijn land in de kering, deel 1 / 1830-1914, Karel van Isacker

10.000 jaar geschiedenis der Nederlanden, Arjen Terpstra e.a.

Geschiedenis van de Nederlanden, J. C. H. Blom, E. Lamberts

Dag zuster... Dag meester... Dag juffrouw..., Heemkring Opwijk-Mazenzele

Wereldgeschiedenis Knack

Geschiedenis van de wereld, deel 8 en 9, Het Laatste Nieuws